DE STEENMAKERS

Mijn vader was een steenfabriekarbeider (een steenmaker dus) en met hem nog vele. Het was in de 30er en 40er jaren een hard en armoedig bestaan. De steenfabrieken stonden in de polders meestal dicht aan een rivier gelegen. De arbeiders woonden veelal direct naast of in de buurt van de diverse steenfabrieken. Het was een veelal armoedig, zwaar, ongeschoold en ondergewaardeerd beroep waar ook jongen kinderen en vrouwen voor werden ingezet. In de jaren na de oorlog kwam er langzaam wat verbetering voor de arbeiders door de komst van machines. Daardoor werden de zwaarste werkzaamheden uit handen genomen. Maar ik durf gerust te zeggen dat steenfabriekarbeider in die tijd een van de zwaarste beroepen was. De oorlog had natuurlijk zijn tol geëist. Het heeft vele slachtoffers gekost en hele steden waren plat gebombardeerd. De steenfabrieken moesten op volle toeren draaien om aan de vraag van stenen te kunnen voldoen en werkweken van 80 bis zu 100 uur waren dan ook heel normaal. De steenfabrieken profiteerden van de wederopbouw, wat vooral zichtbaar was aan de villas, buitenhuizen en stulpjes van de eigenaren. Ook de arbeiders mochten wat mee profiteren van de “welvaart”. Er werden hele kleine arbeidershuisjes gebouwd waar de werkman mocht wonen zolang hij op de steenfabriek werkte. Was je langer als een jaar ziek of bij overlijden moest er plaats gemaakt worden voor de volgende arbeider. Het waren hele kleine huisjes met een keuken en kamer (in één ruimte) 1 slaapkamertje beneden en 2 slaapkamertjes boven, wassen deden ze in een zinken teiltje en de poepdoos stond buiten. Net achter de keuken bevond zich het varkenshok en die was van levensbelang. Het varken had bijna net zoveel ruimte als het hele gezin (vaak wel 8 bis zu 16 personen) bij elkaar. In de 60er en 70er jaren werden de werkomstandigheden voor de arbeiders langzaam beter. Machines namen nog meer de zwaardere werkzaamheden over en de arbeiders en hun gezinnen kregen ook wat meer tijd voor andere dingen. Maar het bleef vaak toch noodzaak, zoals de eigen moestuin af en toe een keer vissen en de vangst ging dan ook de pan. Omdat er vaak zoveel monden gevoed moesten werden deze toch veelal aangewend voor eigen consumptie. Ik ben opgegroeid bij en op de steenfabriek, een mooiere speelplek kon je je niet bedenken en daar ben ik ook in kontact gekomen met de duiven(sport). De steenfabriek was een prima plek voor verdwaalde en uitgeputte duiven. Ze gingen vaak onder de kap bij de oven zitten omdat het daar lekker warm was. Via een opening onder de kap konden de duiven op de vloer boven de ovens komen, waar arbeiders hun bonen, erwten, mais en uien lieten drogen, dus daar lag voldoende voer voor de duiven om aan te sterken. De duivensport had inmiddels zijn intrede gedaan en was ook onder de steenfabriekarbeider erg populair. En zo waren ook de uitgeputte en verdwaalde duiven met een vaste voetring erg populair onder de duivenmelkers. Menige duif is gevangen en terecht gekomen in de duivenhokken van de steenfabriekmannen. Soms om mee te gaan vliegen of om uit te kweken, vooral duiven met een buitenlandse ring vonden gretig aftrek en waren natuurlijk de beste duiven (weinig veranderd met de huidige tijd). Op de club waar de duivenmelkers elkaar ontmoeten werd er onder het genot van een borreltje altijd weer gesproken over de opvangduiven op de’Nove ( De Oven zo werd de fabriek genoemd) Maar duiven waren niet alleen bestemd voor de vluchten, de beste bleven zitten en de laatkomers kwamen terecht in de duivensoep. In de70er en 80er jaren ging het snel met de modernisering van de steenfabrieken. De werkzaamheden en werktijden werden wat aangenamer dus was er meer tijd om de duivensport te bedrijven. In mijn beleving waren het toen bij ons in de regio de hoogtij dagen van de duivensport. Verenigingen van 40 a’ 50 spelende leden waren geen uitzondering en er werd naar harte lust deelgenomen aan de wedvluchten. Ik weet nog dat de plaatselijke kolenboer bij een wedvlucht vanaf Barcelona of St.Vincent een auto heeft gewonnen. Dat was groot nieuws natuurlijk en de kolenboer was The King Of The World en wereldberoemd in ons dorp. Twee weken later moest en zou deze topduif weer gespeeld worden, op de volgende wedvlucht. De duif was helemaal volgepoeld en zou weleens laten zien wat hij kon. Niets was minder waar de bewuste topduif hebben ze nooit meer gezien. Ik weet nog dat ik stiekem hoopte dat de duif ergens op een steenfabriek onder de kap lekker in de warmte zat en zichzelf tegoed deed aan bonen erwten en mais, om daarna richting huis te komen. nicht so!!!  Zoals mijn moeder weleens zijn ”Je moet niet je bezit vergroten maar je hebzucht verminderen, daar word je een gelukkiger mens van” . Ich werde sagen, wieder das nächste Mal.

Setze ein Lesezeichen für Permalink.

Kommentarfunktion ist geschlossen.